De ongekende ziel van ‘de Oosterling’
15 februari 2026 • Ruud Abma • BOEKBESPREKING
Augustus 1916. Chris Engelhard en zijn vrouw Amy vertrekken met hun baby Herman naar Nederlands-Indië op het stoomschip Rindjani. Engelhard had een jaar eerder in Utrecht zijn opleiding tot psychiater voltooid en verwachtte in Indië meer mogelijkheden te hebben om op te klimmen in het vak. Baby Herman is de vader van de auteur, die in dit boek ‘de kleine en de grote geschiedenis’ met elkaar verweeft: de lotgevallen van het jonge gezin tijdens hun verblijf op Java (1916-1925) en de koloniale verhoudingen waarbinnen de psychiatrie aldaar vorm kreeg.
Psychiatrie anno 1915
Die psychiatrie was geïmporteerd uit Nederland, maar een stevig vakgebied was het nog niet. Sinds het midden van de negentiende eeuw bestonden er in Europa krankzinnigengestichten met een zekere therapeutische ambitie, maar wetenschappelijke grondslagen daarvoor waren er nauwelijks en de opvattingen hoe die te ontwikkelen liepen sterk uiteen. Eind 1915 schreef Amy Engelhard aan haar ouders: ‘De psychiatrie is dunkt me nog niet een erg vaststaand vak: professor Winkler, dr. Bouman, dr. Cox, Jelgersma, Heilbronner, allemaal hebben ze weer andere meeningen, de een zoekt het in de ziel, de ander in het lichaam’. Chris Engelhard zelf was zoekende. Op de boot naar Indië had hij vooral psychoanalytische literatuur bij zich.
Krankzinnigen vormden in de negentiende eeuw een bonte verzameling van mensen met uiteenlopende vormen van verward of aangepast gedrag, inclusief landlopers, zwakzinnigen en dementerenden. Zolang ze kalm en vreedzaam waren konden ze in hun vertrouwde omgeving blijven, maar bij serieuze agressie werden ze opgesloten – en meestal slecht behandeld. In Nederland was al geprobeerd een dergelijke onmenselijke situatie uit te bannen door het bouwen van landelijk gelegen gestichten waar onder auspiciën van een medische staf gezorgd werd voor adequate verpleging, voldoende rust, ontspanning en arbeidstherapie, zoals in Meerenberg (1849).
Psychiatrie op Java
Dit model werd ook, met enige vertraging, ingevoerd op Java: er kwam een gesticht bij Buitenzorg (1882) en een bij Lawang (1902). Deze gestichten waren al snel overvol, zodat er ‘hulpgestichten’ moesten worden gebouwd, die als een tussensluis en overloopreservoir dienden. Engelhard was voorgespiegeld dat hij in Buitenzorg, niet ver van Batavia, aan het werk zou kunnen, maar nog tijdens de bootreis werd die bestemming gewijzigd in het meer perifeer gelegen Lawang. Hij kwam te werken onder de net benoemde geneesheer-directeur P. Travaglino, van huis uit geen psychiater maar een gynaecoloog. Engelhard waardeerde hem omdat hij doortastend was en met beide benen op de grond stond, maar vond hem ook platvloers. Ten opzichte van Javaanse patiënten was hij weinig empathisch en soms zelfs cynisch en denigrerend. Voor zijn verdere ontwikkeling als psychiater had hij niets aan Travaglino.
Engelhard moest in dat opzicht op eigen benen staan, maar dat lukte hem pas echt toen hij in 1918 werd overgeplaatst naar Soerakarta op midden-Java. Van daaruit onderzocht hij in opdracht de kwaliteit van de krankzinnigenopvang in die regio, en op eigen initiatief deed hij enkele onderzoeken om de diagnostiek en behandeling van Javaanse patiënten te verbeteren. Omdat de taalbarrière tussen psychiater en patiënt vaak een probleem vormde verrichtte hij experimenteel onderzoek waarbij patiënten konden reageren op afbeeldingen; op dit onderzoek zou hij in 1923 promoveren bij Cornelis Winkler, in Utrecht. Ook probeerde hij zo goed mogelijk ziektegeschiedenissen van patiënten in kaart te brengen, met hulp van hun familieleden en andere naasten. Een laatste onderzoek betrof de ‘oriëntatie in den tijd’ van de Javaan. Met al deze onderzoeken wilde Engelhard de denk- en gevoelswereld van Javaanse patiënten beter in het vizier krijgen.
Tot zijn teleurstelling lukte dat maar zeer ten dele. De westerse stijl van onderzoek doen wekte bij de onderzochten vaak een terughoudendheid op die leidde tot ‘non-respons’ of heel korte, moeilijk interpreteerbare antwoorden. Engelhard concludeerde dat ‘de ziel van de Oosterling’ moeilijk te doorgronden is, maar ook dat westerse psychiaters zich voorlopig maar beter kunnen onthouden van al te stellige uitspraken over ‘de Javaanse psyche’. Diverse van zijn collega’s hadden daar minder moeite mee.
Psychiatrische stereotypen
Zijn voormalige chef Travaglino bijvoorbeeld wist in lezingen en publicaties te melden dat Javanen emotioneel zijn, veel fantasie hebben, kinderlijk gedrag vertonen en een overdreven zucht tot genot, weinig prijs stellen op huiselijkheid en gezinsleven, belangrijke eigenschappen missen die voortkomen uit de ‘hogere instincten’ (zoals spaarzaamheid en plichtsgevoel), en in hoge mate suggestibel zijn. Collega-psychiater Feike van Loon meldde dat bij Javanen ‘primair-instinctieve prikkels’ meer invloed hebben dan prikkels op intellectueel niveau. Verder was ‘de Maleier’ o.a. eenzijdig in zijn oordeel, beweeglijk en tegelijk lui, snel uit het veld geslagen, ijdel, heerszuchtig en wreed, tuk op lekker eten en drinken, een huichelaar, intrigant en leugenaar, vreesachtig en laf, en verstrooid en weinig punctueel.
Travaglino en Van Loon bevestigden met dergelijke typeringen gangbare vooroordelen die Europeanen tegenover Javanen koesterden, en ze versterkten ze zelfs door hun aureool van deskundigheid als psychiater inzake kenmerken van de ziel. Hun kennis konden ze echter niet hebben uit gesprekken met Javanen, omdat ze de taal amper beheersten en dergelijke gesprekken ook weinig zinvol vonden: met taal kun je immers beter van alles maskeren en mooier voorstellen dan met observeerbaar gedrag.
Verweerschrift
Deze stereotiepe uitspraken bleven niet onweersproken, soms door de bal terug te kaatsen: ‘De schandelijke onzedelijkheid die hier te lande wordt bedreven en zoo veel aanstoot geeft op kermissen, bij feesten, zelfs in spoortreinen, publieke gebouwen en op wandelplaatsen komen in Indië niet voor’. Van Loon kreeg in 1924 zelfs te maken met een Verweerschrift van de Bond van Indonesische Artsen tegen zijn lezing over de psychische eigenschappen van de ‘Maleisische rassen’. De Bond verweet hem oppervlakkige generalisaties te berde te brengen, die zeker niet gestoeld waren op onpartijdig en objectief onderzoek, maar eerder op vage indrukken opgedaan in de omgang met zijn huispersoneel. Vooringenomenheid bleek ook uit Van Loons uitlating ‘dat hij steeds met belangstelling en liefde dit kinderlijke volk heeft bestudeerd’.
Het genoemde Verweerschrift was een teken van een groeiend zelfbewustzijn van hoger opgeleide Indonesiërs, waaronder zich veel artsen en geneeskundestudenten bevonden. In 1928 schreef Mohammed Hatta, die later vicepresident zou worden van de Republik Indonesia, een betoog waarin hij onder andere de diepgaande invloed van koloniale verhoudingen op de psyche van de gekoloniseerden aan de orde stelde (‘Men laat geen middel ongebruikt om den twijfel aan eigen kunnen bij de Indonesiërs voortdurend te voeden.’) In de opkomende onafhankelijkheidsbeweging vanaf de jaren 1920 bleken nationalistische Indonesische intellectuelen een scherp oog te hebben voor de koloniale neerbuigendheid die verscholen zat in ogenschijnlijk objectieve en menslievende praatjes van sommige Europese psychiaters. Chris Engelhard zag dat ook, maar sprak zich pas in 1948, in het Maandblad voor Geestelijke Volksgezondheid, nadrukkelijk uit voor een meer objectieve blik op de psyche van de ‘inlander’.
Machtsverhoudingen
Ook progressieve mensen als Chris en Amy Engelhard ontkwamen er niet aan de Javaanse bevolking te zien als minder ver ontwikkeld dan Europeanen. Veel Europeanen in de koloniën ontleenden daaraan een gevoel van morele superioriteit dat hen het recht gaf de inheemse bevolking te overheersen en hen, in het beste geval, ook ‘op te voeden’ en te gidsen naar een hogere beschavingsvorm. Dat die bevolking het heft in eigen handen zou nemen en het land onafhankelijk zou maken van de kolonisator, kwam voor velen onverwacht. Het was echter bij uitstek een teken hoe slecht ook ‘deskundige’ westerlingen de psyche van hun Indonesische medemensen kenden.
Marens Engelhard heeft met De ‘Javaanse psyche’ een verdienstelijke studie geschreven over de koloniale psychiatrie in het voormalige Nederlands-Indië. Hij heeft er veel werk voor verzet, o.a. door zelf in Indonesië archiefonderzoek te doen, instellingen voor geestelijke gezondheidszorg te bezoeken, interviews te houden. Een belangrijk deel van het boek is gewijd aan zijn familiegeschiedenis. Die zal de buitenstaander wellicht minder interesseren, maar daardoor heeft de auteur wel een andere machtsverhouding in beeld kunnen brengen: die tussen mannen en vrouwen. In deze tijd werd de vrouw ook letterlijk geacht de man te volgen en dat deed Amy ten opzichte van Chris. Dat zij haar ogen goed openhield blijkt wel uit haar hierboven geciteerde typering van de psychiatrie anno 1915. Het blijkt ook uit een latere opmerking in een brief aan haar ouders dat je als psychiater in Indië weinig kans van slagen hebt als je de taal van je patiënten niet spreekt en louter met Westerse ogen naar hun cultuur kijkt. Scherp gezien.
Marens Engelhard, De ‘Javaanse psyche’. Koloniale psychiaters in Nederlands-Indië 1900-1940. Een familiegeschiedenis. Amsterdam: Boom, 293 pp.